Na 10 weken was ik weer terug in Spanje. Ik bleef er nu 8 dagen en ging ik samen met Lisette wandelen door het hart van “Castilla la Vieja”, het oude Castilië. We hadden voor deze reis gekozen, omdat ik graag naar Spanje ga en Lisette de Romeinse geschiedenis interessant vindt. De eerste twee nachten verbleven we in Segovia. De stad is bekend, vanwege het aquaduct dat door de Romeinen is gebouwd. Het is een van de spectaculairste Romeinse bouwwerken van Spanje. Het loopt dwars door de stad en het is goed bewaard gebleven.
De reis van het vliegveld in Madrid naar Segovia was niet zonder hobbels geweest. Ik had online kaartjes voor de hogesnelheidstrein geboekt vanaf treinstation Madrid-Chamartín. Om daar te komen moesten we eerst de forensentrein C1 nemen. We zagen de trein op het perron staan, maar we wisten niet hoe we langs de tourniquets moesten komen. Na een paar mensen in uniform aangesproken te hebben, begrepen we dat onze betaalpas de poorten zou openen. De trein was inmiddels vertrokken, waardoor we moesten wachten op de volgende.
Op Madrid-Chamartín stonden röntgenscans bij de ingang van de Spaanse flitstrein en bij iedere band stond een medewerker strak in de houding. Ze keken toe hoe iedereen de bagage op de band legde.
Het station voor sneltreinen van Segovia ligt ongeveer 6 kilometer buiten het historische centrum en een bus bracht ons naar het Aquaduct. Na 800 meter lopen arriveerden we eindelijk in ons hotel op het Plaza Mayor.
Het Aquaduct
Een uurtje later trokken we de stad in, en liepen we via de kathedraal en de stadsmuur, naar het Aquaduct. Het indrukwekkende bouwwerk stamt uit de 1e of 2e eeuw na Christus en bestaat uit ongeveer 25.000 granietblokken die op elkaar waren gestapeld zonder gebruik van cement te maken. Het telt 167 bogen die verdeeld zijn over 2 niveaus.

Het Aquaduct bracht drinkwater van de bergbronnen naar de stad. Het kanaal waardoor het water stroomde had een helling van 1%, om ervoor te zorgden dat het niet stil bleef staan.
Toen we dichtbij de granietblokken kwamen zagen we dat er putjes in zaten. De Romeinse hijskranen, die de loodzware stenen omhoog hadden getild, hadden een afdruk achtergelaten. Om tijd en kosten te besparen, werkten de Romeinen de hijsputjes niet weg.
We namen plaats op het terras van BRIBBŌN en stortten ons op gerechten uit de traditionele Spaanse keuken: Judiones de La Granja, Croquetas de jamón en Tomate rosa con Ventresca. Onze vakantie was nu echt begonnen.
Dag 2: Stadswandeling Segovia
Omdat we veel wilden doen op onze enige volledige dag in Segovia, had Lisette een strakke planning voor de ochtend en middag gemaakt. Het gaf haar rust:
7:25 Opstaan
8:00 Ontbijten
9:00 – 10:00 Bezoek aan de kathedraal, die aan het Plaza Mayor ligt
10:00 – 12:00 Stadswandeling
12:00 – 13:30 Siesta, omdat het meer dan 30 graden zou worden
13:30 Restaurant zoeken voor de lunch
14:00 – 15:30 Lunchen
15:30 – 16:00 Naar het Alcázar van Segovia, omdat we kaarten hadden voor dat tijdslot
16:30 Toegang tot de toren van Juan II, vanwege het tijdslot
Ze zei er glimlachend bij: “We hebben een droom en we hebben een plan. Verder zien we wel.”
De stadswandeling begon bij het Aquaduct, waar een protest gaande was tegen Israël en voor de Palestijnse bevolking. We bleven een tijdje naar de gescandeerde leuzen luisteren, en begonnen toen aan onze tocht. Het oude centrum van Segovia is vrij klein. We kwamen langs sfeervolle pleintjes, parkjes, kerken en torentjes – en natuurlijk de kathedraal en de stadsmuur.
De routebeschrijving stuurde ons ook langs het Alcázar, dat aan de uiterste rand van de oude stad lag. Omdat we het later op de dag zouden bezoeken, liepen we er nu vrij snel langs. De eerste aanblik stelde me teleur. Ik had op het internet mooie droneopnames gezien van het beroemde middeleeuwse kasteel, maar ik kon de smalle ronde torens met spitse, leistenen daken nergens ontdekken. Later begreep ik dat die niet vanuit het centrum te zien zijn, maar enkel zichtbaar worden aan de andere kant van het asymmetrische gebouw.
De toeristische bewegwijzering in de oude stad was in drie talen opgesteld. Naast het Spaans en het Engels, stonden er ook aanwijzingen in de taal van een ander schrift. We dachten eerst dat het Chinees was, omdat Segovia populair is bij Chinese toeristen, maar het bleek Hebreeuws te zijn. Het fungeerde niet als een functionele wegwijzer voor lokale bewoners, omdat de Joodse gemeenschap in 1492 werd gedwongen het land te verlaten. De bordjes waren geplaatst om een cultuur te eren die er officieel niet meer is.
Om 11:30 waren we klaar met de stadswandeling en op het Plaza Mayor bestelden we thee, koffie en gebak. Verschillende groepen toeristen stopten voor de kathedraal en ze kregen via oortjes uitleg van de gids.
Na onze pauze weken we opnieuw van de planning af, want Lisette ging naar Casa del Sol, een archeologie- en kunstmuseum, en ik ging terug naar onze hotelkamer. Ik had de afgelopen nachten slecht geslapen en dat begon me nu op te breken.
Iets over tweeën gingen we samen lunchen op het terras van bar Socorro. We lieten ons een Tinto de Verano inschenken en we bestelden enkele Spaanse gerechten, waaronder Croquetas de jamón. Omdat we er meer kregen dan we konden opeten, namen we de restjes mee. Morgen tijdens de natuurwandeling zouden ze goed van pas komen.
Om 15:30 waren we bij het Alcázar. We hadden een audiotour geboekt, die je moest downloaden op je mobiel. Bij iedere kamer of binnenruimte kregen we uitleg. De teleurstelling, die ik in eerste instantie had gevoeld, verdween in zijn geheel en kon ik genieten van het prachtige gebouw. Met name de plafonds waren indrukwekkend en buitensporig. Ik zag Moors houtsnijwerk met complexe geometrische patronen, honderden handgesneden details en overvloedig bladgoud.
In de loop der eeuwen hadden tientallen koningen, koninginnen en edelen van het Koninkrijk Castilië hier gewoond. Daarna diende het als staatsgevangenis, militaire academie, artilleriemuseum en militair archief.

Een wenteltrap met 152 treden bracht ons bovenop de toren van koning Juan II. We werden getrakteerd op een prachtig uitzicht over de stad. De kathedraal tornde boven alle gebouwen uit, en achter de stad kon je het Guadarrama-gebergte zien liggen.
Dag 3: Transfer naar La Granja en een rondwandeling vanuit het hotel
Om 9:30 stonden we met onze koffers en rugzakken klaar om naar La Granja de San Ildefonso te gaan. Het was de plek waar de Spaanse koningen zich vanaf de 15e eeuw terugtrokken. We hadden onze wandelreis bij Stap Reizen geboekt, en de lokale reisorganisatie, die de reis had samengesteld, zou ons naar de volgende plaats brengen. Onze chauffeur was een van de oprichtsters van Sendero y Pueblo en ze was Schots. Het gevolg was dat we tijdens de gehele transfer Engels hebben gepraat.
We checkten in ons hotel in en gingen direct wandelen, want het zou een warme dag worden en we wilden voor de grootste hitte weer terug zijn. Het eerste stukje was langs de doorgaande weg en daarna staken we de Eresma-rivier over. We volgden het water en wandelden tussen de eikenbomen door. De rivier stond laag en het land was kurkdroog. Af en toe staken we houten bruggetjes over, die waren aangelegd over zijriviertjes die nu helemaal droogstonden.
We volgden het Sendero de las Pesquerías Reales (het Pad van de Koninklijke Visserijen). Koning Carlos III was een groot liefhebber van het vissen op forel en hij had in 1767 opdracht gegeven om het pad aan te leggen. De originele 18e-eeuwse granieten platen en stenen trappen waren er nog steeds.
In Spanje lopen de koeien vaak los. En als er ergens koeien zijn, dan zijn er ook vliegen. We werden dan ook continu begeleid door zoemende insecten die irritant om ons hoofd cirkelden – soms met tientallen tegelijk
In het dorp Valsaín liepen we langs een stierenvechtarena. De deur stond open en we mochten even binnen kijken. Het was een kleine ronde arena met een betonnen tribune. Op hoogtijdagen kwam de lokale gemeenschap van houthakkers en veehouders hier bijeen om de stierenvechtcultuur te vieren.
De gronden rond het dorp waren opgekocht door Carlos III, en de lokale bewoners bleven de traditionele gebruiksrechten behouden. In de gemeenschappelijke weide graasden paarden en ons wandelpad doorkruiste dit gebied.
Aan het einde was een dennenbos. We wandelden weer langs de rivier, en we zagen veel Spanjaarden bij het water zitten. Ze hadden niet ver gelopen, want de parkeerplaatsen was dichtbij.

Na 9,5 kilometer staken we de rivier over en pauzeerden we met Croquetas de jamón. Daarna gingen we terug naar La Granja. Het was intussen 33 graden geworden en het was best wel warm.
’s Avonds waren er niet zoveel restaurants open, dus we besloten om naar de Parador te gaan. Die bleek om de hoek van ons hotel te liggen. Carlos III had dit monumentale koninklijke complex laten bouwen voor zijn twee zonen Gabriel en Antonio. We namen plaats in de tuin en we werden vorstelijk bediend door maar liefst vier obers. Om de kosten echter wat te beperken, bestelden we slechts één gerecht en één glas Verdejo.
Dag 4: Wandeling naar de waterval
De tweede wandeltocht bracht ons naar de helling van de Peñalara, een bergtop in de Sierra de Guadarrama. We klommen tussen de dennenbomen door naar de watervallen van El Chorro. Het water stroomde langs een granieten bergwand naar beneden. Vanaf daar stegen we nog een stuk verder, en het pad werd technisch uitdagender; het vroeg veel van onze kracht en balans. Uiteindelijk kwamen we uit bij de bovenkant van een granieten rots. Daar pauzeerden we een tijdje.
Het panoramische uitzicht op La Granja was spectaculair. Aan de linkerkant zagen we het koninklijk paleis en de 146 hectare grote paleistuin liggen. Meer naar rechts was het stuwmeer Pontón Alto. Achter het meer lag een hoogvlakte die in deze tijd van het jaar goudgeel kleurde.
Uit La Granja steeg een constant gebrom op; het was het onophoudelijke loeien van de smeltovens van de plaatselijke glasfabriek. Op honderd meter van ons vandaan graasde een hopjeskleurige koe op de helling. Zij keek even op toen ze ons hoorde praten.
We vervolgden onze weg, maar van een duidelijk herkenbaar pad was al snel geen sprake meer. Regelmatig stopten we even om te kijken of we nog goed zaten. De stijging vlakte af en we vonden tussen de varens in een eikenbos een smal spoor dat ons op een hoogte bracht van 1545 meter. Daarna daalden we ontspannen af over een breed pad. Via een bos kwamen we uit bij de muur van de paleistuin, die we drie kilometer lang volgden totdat we weer in de bewoonde wereld waren.
Omdat de wandeling niet heel lang had geduurd, waren we op tijd voor een Spaanse lunch in het dorp. Onder het genot van een Tinto de Verano keken we terug op een mooie en soms spannende ochtend.
Vervolg dag 4: Het Koninklijk Paleis en de tuinen van La Granja de San Ildefonso
In de namiddag bracht Lisette een bezoek aan het Koninklijk Paleis van La Granja de San Ildefonso en ging ik struinen door de Koninklijke tuinen.
Het paleis werd oorspronkelijk gebouwd door koning Filips V, de opa van Carlos III. Als kleinzoon van de Franse “Zonnekoning” Lodewijk XIV had Filips V een sterke band met Frankrijk. Hij wilde Versailles naar Spanje halen en hij liet daarom een Franse baroktuin aanleggen, met strakke symmetrische assen. Op de kruispunten van de paden staan in totaal 26 monumentale fonteinen.
Omdat het paleis op de hellingen van de Guadarrama-bergen ligt, maken de fonteinen slim gebruik van natuurlijke waterdruk. Hierdoor kunnen sommige exemplaren het water zelfs hoger spuiten dan die van Versailles.
De fonteinen zijn geïnspireerd op de klassieke Griekse en Romeinse mythologie. Tijdens mijn wandeling door de tuinen zag ik bronskleurige beelden van goden, zoals Neptunus en Triton, maar ook nimfen, kikkers, draken, slangen en gevleugelde paarden. Het was allemaal een beetje veel.

De Fuente de la Fama (De Fontein van de Fame) kan een waterstraal van maar liefst 47 meter hoog produceren. Helaas kon ik dat niet met eigen ogen zien. De beheerder had de fonteinenshows stilgelegd, omdat de watervoorraden door de aanhoudende droogte te laag waren en er sprake was van ernstige watertekorten. Ik moest het dus doen met filmpjes op YouTube, maar dat is net iets anders dan er zelf naast staan!
Dag 5: Wandeling in de omgeving van Pedraza
Het regende een beetje en de buitentemperatuur was in de ochtend gedaald naar 7 graden; de herfst in Spanje was begonnen. Een transfer bracht ons naar de omgeving van Pedraza. Robert, de chauffeur die ons kwam ophalen, was opgegroeid op het Spaanse platteland, maar had in Edinburgh op de middelbare school en de universiteit gezeten. Hij hield van vogels en wees ons onderweg op de vale gieren en zwarte gieren die op de rotswanden of op de grond zaten.
De omgeving in Pedraza was heuvelachtig. Onze route volgde de oude paden, waar vroeger het vee langs werd gedreven. Onderweg passeerden we steengroeven die nog altijd in gebruik zijn. Halverwege de tocht werden we getrakteerd op een mooi uitzicht op het kasteel van Pedraza. Het lag hoog op de top van kalkstenen kliffen. Met een grote boog trokken we om Pedraza heen, door jeneverbes- en steeneikenbossen, over paden die van oudsher de dorpen met elkaar verbonden.
We pauzeerden met Croquetas de jamón, die we hadden bewaard van de vorige dag. Het was de vijfde dag op rij dat we deze Spaanse klassieker aten, maar deze keer smaakten ze ons niet meer zo goed. We waren er op uitgekeken.
Het middeleeuwse ommuurde dorp Pedraza heeft slechts één in- en uitgang. We gingen onder de eeuwenoude stenen toegangspoort door en kwamen midden in de feestelijke drukte terecht. Het was de week van de jaarlijkse dorpsfeesten, de Fiestas Patronales en honor a la Virgen del Carrascal. We wisten toen nog niet dat de Spanjaarden deze woensdag pas om vier uur ’s ochtends genoeg zouden krijgen van het feestvieren.
Op het Plaza Mayor was een tijdelijke stierenvechtarena gebouwd. Al sinds 1550 wordt hier ieder jaar een rechthoekige arena van hout opgebouwd. Op de kasseien van het plein was een dikke laag zand gestort. In de avond was een stierengevechten gepland.
We pakten een stoel en gingen in de arena zitten met een glas Tinto de Verano in de hand. Iets verderop stonden twee mannen in het zand bier te drinken en te lallen. Er heerste een uitgelaten sfeer in het dorp. Het voelde alsof we midden in het carnaval waren beland.

Vervolg dag 5: het stierengevecht
Ik liet me meeslepen door de stemming die in het dorp hing en ik besloot een kaartje te kopen voor het stierengevecht. Mijn nieuwsgierigheid naar dit eeuwenoude Spaanse traditie was groter dan mijn afschuw voor het dierenleed. Laten we eerlijk zijn: de dood van de stier was nagenoeg onvermijdelijk. Toch wilde ik het een keer met eigen ogen meemaken.
Om half zeven nam ik plaats op de tribune. Ik merkte al snel dat het een stuk kouder was dan eerder in de week; ik had duidelijk te weinig kleren aangedaan. Dit was de avond van de novillada sin picadores. Dat hield in dat er geen paarden in de arean kwamen, de stieren jong waren en de stierenvechters aan het begin van hun carriere stonden.
Lisette wilde absoluut niet mee, maar kreeg er uiteindelijk toch meer van mee dan haar lief was.
De twee stierenvechters, de sympathiek ogende Mexicaan Javier Spínola en supermacho Ramón Martín Galán, gingen na elkaar de arena in en we zagen in totaal vier gevechten.
De locale brassband zat op de tribunes en zij gaven met hun muziek de fase aan waarin het gevecht zich bevond. Lisette luisterde mee en ze kon horen wanneer een gevecht begon, wanneer de stierenvechter werd beloond voor zijn prestatie, de stilte waarin de stierenvechter zich klaarmaakt voor de dodelijke stoot met het zwaard en tenslotte het moment waarop het gevecht succesvol was beëindigd.
Ik zag stieren die zeer zwaar ademden en veel stress ervaarden. Ik zag vrouwen en mannen die na een gevecht opsprongen, naar de voorzitter van de arena keken en met papieren witte zakdoekjes zwaaiden. Het zwaaien met witte zakdoekjes is hét televoten van de arena. Als de meerderheid van het publiek met zakdoekjes zwaait, dan kent de voorzitter de stierenvechter een prijs toe. Javier Spínola kreeg bij beide stieren een oor, en Ramón Martín Galán kreeg een applaus en een ereronde.
Als een gevecht voorbij was, dan kwamen een groepje mannen de arena in om het lichaam van de stier met touwen weg te slepen. Direct daarna harkten twee mannen het zand weer aan voor de volgende ronde. Buiten mijn gezichtsveld werd de stier in de laadbak van een kleine bulldozer gelegd en afgevoerd. De bulldozer passeerde onze hotelkamer en Lisette zag de vier poten die recht omhoog staken langs het raam voorbijkomen.
Dag 6: Tussen graanvelden en zonnebloemen naar Sepúlveda
Robert kwam ons halen voor een transfer naar de vallei van El Caslilla. De ochtend was fris begonnen met 7 graden, en in de loop van de dag werd het steeds warmer.
We begonnen onze wandeling op een hoogvlakte en trokken door velden met zonnebloemen en graan. De uitgestrekte graanvelden waren kaal, want de oogst had al in juni en juli plaatsgevonden. De zonnebloemen, die meer zonuren nodig hebben, stonden nog op het land, maar ze boden een troosteloze aanblik. Hun koppen waren gaan hangen en ze hadden een zwarte doodse kleur gekregen.

Ik vind het heerlijk om te wandelen in een landschap waar ik tot aan de einder kan kijken, zonder dat bomen of gebouwen de blik belemmeren. Als je dan geen kunstmatige geluiden hoort, maar alleen het ruisen van de wind en de roepjes van vogels, dan is dat helemaal geweldig. Soms werd de serene rust abrupt verstoord als we struiken passeerden; met luid kabaal en klappende vleugels vlogen er dan plotseling rode patrijzen op.
We kwamen dichter bij Duratón-kloof en we zagen, na een tocht van zes kilometer, aan de andere kant van het dal Sepúlveda liggen. Een kerk met een zijgalerij met bogen torende hoog boven het dorp uit. Het was een absolute blikvanger. Hoewel het plaatsje dichtbij was, leidde de routebeschrijving ons eerst door de kloof van de Caslilla-rivier. Het was hier warm, want het koele briesje kon ons tussen de rotswanden niet meer bereiken.
In de kloof zagen we verschillende vale gieren boven ons cirkelen. Een enkele keer kwamen ze heel dichtbij. Eén keer zagen we zelfs de vooruitgestoken poten van een vogel; hij leek recht op ons af te vliegen, maar boog op het laatste moment af om te landen op een rots achter een bomenrij. We konden het indrukwekkende geluid van zijn vleugels horen. Dichterbij dan nu zouden de vale gieren niet meer komen.
We staken de rivier over en begonnen aan de klim naar het plateau. Een steekvlieg stak Lisette. Het was een klein smetje op een overigens perfecte dag. We waren het er beide over eens: dit was de allermooiste wandeling tot nu toe van onze wandelvakantie.
We passeerden een aantal amandelbomen en ik liet Lisette zien hoe je de harde houtachtige schaal met twee stenen kan breken.
We naderden Sepúlveda, maar we zagen de stad in eerste instantie niet. Het lag verscholen in de diepte. We streken neer op het Plaza de España bij bar La Queda. Het was het kloppende hart van het stadje. Met een Tinto de Verano sloten we tevreden onze wandeling af.
Vervolg dag 6: Het uitgestorven Sepúlveda op een doordeweekse dag
We verbleven twee nachten in Posada de San Millán. Het hotel is gevestigd in een van de oudste gebouwen van het dorp. Het pand heeft een prachtige patio en de benedenverdieping wordt gedragen door stenen zuilen. De massief natuurstenen muren zijn ruim een halve meter dik. In de hete Castiliaanse zomers houden ze de kamers binnen heerlijk koel, en in de winter houden ze de warmte juist goed vast.
We dronken een kop thee en gingen daarna naar de plaatselijk supermarkt om inkopen te doen voor de lunch van morgen. De Unide Supermercado was vanwege vakantie gesloten, en ook de bakker was dicht. Iedereen bleek vrij te hebben genomen om deel te nemen aan de dorpsfeesten. We liepen langs de VVV, die ons vertelde dat alleen de twee bakkers op het Plaza de España deze dagen open waren op bepaalde uren. Als we iets wilde kopen, dan moesten we dit morgenvroeg doen.
Dag 7: Rondwandeling door het binnenste van de kloof
De deur van de ontbijtzaal stond open en de buitenlucht van de patio stroomde naar binnen. Met 9 graden was het een frisse ochtend. Nadat we op advies van Robert een empanada hadden gekocht bij Pastelería La Peña, gingen we op pad.
We wandelden naar de rivier en hielden die voor de komende uren aan onze linker hand. We waren in het Parque Natural de las Hoces del Río Duratón. Aan beide zijden van de rivier was er weelderige groene natuur; er waren veel loofbomen en het gras kleurde niet geel, maar frisgroen. Het oeverbos werd omsloten door okergele en goudbruine kalkstenen rotswanden. Hoog op de richels zaten vale gieren te niksen. Toen de lucht opwarmde gingen ze de lucht in en vlogen er tientallen exemplaren boven ons hoofd.

Het natuurpark herbergt een van de grootste kolonies vale gieren van heel Europa. Het telt 720 tot 730 broedparen. Vale gieren zijn strikte aaseters; ze jagen zelf nooit op levende prooien. Om aan hun voedsel te komen krijgen ze hulp van de mens.
Vroeger lieten boeren dode dieren gewoon op het land liggen. Na de uitbraak van de gekkekoeienziekte in Europa werd dit streng verboden, en dit leidde tot voedselnood onder de gieren. Vele vogels stopten met broeden of verhongerden. Om de populatie te beschermen, gaf de Europese Unie in 2011 de Spaanse overheid toestemming om speciale, omheinde voederplaatsen in te richten. Lokale boeren en boswachters brengen hier op vaste tijden kadavers en slachtafval naartoe, waardoor de kolonie bij Sepúlveda het hele jaar door van voedsel is verzekerd.
Onze tocht was tot de brug of tot de volgende brug, die 4 kilometer verder lag. Lisette wilde graag doorlopen, dus we gingen verder. Na 500 meter namen we een pauze en proefden we van de overheerlijke zelfgemaakte tonijn-empanada met ratatouille. We keken naar vijf vale gieren die op rots zaten en de vijf vale gieren keken naar ons.
We besloten terug te gaan, zodat we nog tijd hadden om later op de dag de Iglesia de El Salvador in Sepúlveda te bekijken. De oudste romaanse kerk van de gehele provincie Segovia kon Lisette natuurlijk niet aan zich voorbij gaan.
Hoewel we op hetzelfde pad liepen, was de beleving de tweede keer totaal anders. We waren nu meer gefocust op de omgeving vlak voor ons en minder op de hoge rotswanden om ons heen. We merkten de rivier nu veelvuldig op, terwijl we die de eerste keer nauwelijks hadden waargenomen.
We keerden terug bij de brug waar we in de ochtend overheen hadden gelopen, en staken de rivier deze keer niet over. We bereikten een steile rotswand en volgden die een tijdje. De grond was bezaaid met witte uitwerpselen. Enkele vale gieren vlogen laag over. We konden het klappen van de vleugels horen; het klonk als het ritmische denderen van een locomotief. Het was een geweldig mooi geluid.
We staken de rivier over en begonnen in de volle zon aan de beklimming naar Sepúlveda, dat op de hoge kam van de rots lag. Zo’n tweeduizend jaar geleden hadden Romeinen ook deze klim gemaakt.
Vervolg dag 7: Vrijdagavond in Sepúlveda
Nadat we een romaanse kerk uit de 11e eeuw hadden bekeken, gingen we naar de Plaza de España voor onze avondmaaltijd. Alle restaurants op het plein waren dicht en we zagen bekende gezichten op een bankje zitten. Het Engelse echtpaar, dat we al kenden uit Segovia en Pedraza, had een fietsreis bij Sendero y Pueblo geboekt en zij deden dezelfde plaatsen aan als wij.
We maakten een praatje met de energieke 70-plussers, die ons vertelden dat ze zaten te wachten totdat een restaurant op het plein open zou gaan. Dat was mij iets te passief, dus stapte ik af op een groepje Spanjaarden. Het meisje van de bakker maakte deel uit van het gezelschap en ze herkende mij meteen. Ze vertelde me dat de bars en restaurants vandaag niet meer open zouden gaan. Toen ik uitlegde dat we vandaag echt nog ergens iets moesten eten, dacht ze even na en noemde ze DeCanto. Het bleek amper honderd meter verderop te liggen.
Lisette en ik gingen met de Engelsen naar de trendy tapasbar. Het was het enige geopende restaurant in het dorp en het was er dan ook afgeladen vol. Op het terras was geen plek meer, maar gelukkig vonden we binnen een vrij tafeltje. De menukaart was uitsluitend online beschikbaar via een QR-code, wat tot gemopper leidde bij onze nieuwe vrienden. We bestelden een burger, een pizza en twee maaltijdsalades bij de ober en beleefden een plezierige avond samen.
Dag 8: Onze laatste dag in Spanje
De thermometer wees 11 graden aan; het was gelukkig niet meer zo koud als de dagen ervoor. Om 15:00 zou een taxi ons naar de bushalte in een dorp verderop brengen, dus we hadden tijd voor een extra wandeling en een lunch op het Plaza de España.
Het was fijn om nog even vakantie te hebben en te genieten van het Spaanse landschap, de zon en het goede leven. We kozen voor de wandelroute la Senda de los Dos Ríos en verlieten het stadje bij de romaanse kerk Iglesia de Nuestra Señora de la Peña. Al snel bereikten we op de Romeinse weg, die ons bergafwaarts naar de rivier leidde.
De steile rotswand met de vogelpoep op de grond was nu alleen een steile want, want de vale gieren lieten zich niet zien. We trokken de Duratón-kloof in, keerden na een tijdje om en liepen weer terug. Het laatste stuk van de route was nieuw voor ons. Het bracht ons langs een oude stadsmuur en langs moestuinen.
Het was zaterdag en we kwamen onderweg opvallend veel mensen tegen. Eenmaal in Sepúlveda bleek het dorp volledig getransformeerd: het bruiste van de energie. De middeleeuwse vestingstad was veranderd in een levendige magneet voor dagjesmensen – een schril contrast met de serene rust van doordeweeks.
We kochten een empanada bij onze favoriete bakker, namen plaats op het terras van La Gran Barra en bestelden voor de laatste keer een Tinto de Verano. We moesten een klein uurtje overbruggen voordat we konden lunchen. Dat was geen ramp, want we gingen doen wat iedereen op een terras doet: mensen kijken.
Lisette liep naar binnen om de allerlaatste Tinto de Verano van onze vakantie te bestellen en ze kwam terug met de mededeling dat er iets fout was gegaan. Ze had per ongeluk Bitter Kas besteld. Het is een alcoholvrij roodkleurig drankje met een kruidige en bitterzoete smaak. Ik kende het niet en ik moest even wennen aan de smaak.
Vervolg dag 8: de terugreis naar Nederland
Een Spaanse taxichauffeur kwam ons halen en hij vertelde dat de restaurants voor corona veel vaker open waren en dat vroeger alles beter was. Hij zette ons af bij busstation van Boceguillas. Daar wachtten we op de bus van ALSA, die ons naar het grote ondergrondse busstation Avenida de América in Madrid zou brengen. Daarna zou een tweede busrit ons op T4-terminal van de luchthaven afzetten.
De ALSA-bus was laat. Veel te laat. Pas dertig minuten na de officiële vertrektijd vertrokken we eindelijk bij de bushalte. Onderweg liep het oponthoud op tot vijftig minuten, en we vreesden dat we onze vlucht zouden missen. Omdat de buschauffeur de laatste haltes van het traject oversloeg, wist hij de vertraging terug te brengen naar een half uur. We hadden geen zin om de nacht op de luchthaven door te brengen en we besloten een taxi naar het vliegveld te nemen. Het bleek een gouden beslissing.
De heen- en de terugreis in Spanje waren weliswaar enigszins stressvol verlopen, maar ons verblijf in het oude Castilië was zeer relaxt geweest. Het was een mooie mix van Romeinse cultuur, middeleeuwse geschiedenis, het pure Spaanse platteland, de indrukwekkende canyons, Croquetas de jamón, Tinto de Verano’s en de majestueuze gieren.
Wauw, wat een leuk reisverslag. Heel leuk om te lezen.
Dank je wel voor je superleuke reactie, Marjan! Ontzettend fijn om te horen dat je ervan hebt genoten.